

Weet je wat, we nemen eerst even het verhaal door en daarna plak ik er nog een lange, zeurderige, semi-filosofische bespiegeling aan vast, oké?
De poolkappen smelten, zo constateert professor Jack Hall. En dat kon nog wel eens vervelende gevolgen hebben, want daardoor kan het klimaat behoorlijk veranderen en toen zoiets de laatste keer gebeurde ontstond er een nieuwe ijstijd. Hall (Dennis Quaid, een soort low-budget Harrison Ford) kan het allemaal bewijzen met zijn meteorologische computermodel, maar de Amerikaanse regering heeft geen interesse in zulke feiten. De economie gaat voor, professor! Liever vandaag winst dan morgen een veilige planeet, weet u wel? We hebben niet voor niets het Kyoto-akkoord gesaboteerd!
Hall krijgt echter op zeer korte termijn gelijk: er is al zoveel poolijs gesmolten dat de warme golfstroom, die veel invloed heeft op het klimaat, geheel van slag is. En zo krijgen ze sneeuwbuien in New Delhi, hagelbuien met ijsklonten zo groot als voetballen in Tokyo, tornado's in Los Angeles en lazeren er in Schotland drie helicopters uit de lucht omdat ze in een koude golfstroom terecht komen die zelfs de kerosine in de brandstofleidingen laat bevriezen. Andere wetenschappers willen inmiddels wel naar Jack luisteren, temeer daar hij dankzij zijn studie naar de laatste ijstijd het enige bruikbare computermodel heeft om het weer voor de komende periode te voorspellen.
Als er dan ook nog een vloedgolf ontstaat die Manhattan vijftig meter onder water zet, begint zelfs de Amerikaanse regering te begrijpen dat er nu toch echt maatregelen getroffen moeten worden. Een doosje kaarsen hier, wat warme dekens daar… Helaas, dan is het al te laat. Het hele Noordelijk halfrond komt in de greep van het slechtste weer dat je ooit gezien hebt. Dat levert spectaculaire plaatjes op, zoals het vrijheidsbeeld dat tot haar fakkel in het ijs staat en compleet verwoeste steden.
Ik heb altijd een beetje moeite gehad met het rampengenre. Je hebt er klassiekers bij, zoals Towering Inferno en The Poseidon Adventure, waarbij de oorzaak van alle ellende meestal iets 'normaals' is, zoals slecht weer of brand. Moderne rampenfilms hebben graag een extra reden voor de ramp, zoals een invasie van marsmannetjes (Independance Day), een Afrikaans virus (Outbreak), een enorme metoriet (Armageddon, Deep Impact) of desnoods een ouderwetse vulkaanuitbarsting (Volcano, Dante's Peak) of een tornado (Twister). Daarnaast volgen we altijd een aantal mensen die lang niet allemaal de aftiteling zullen meemaken, bij voorkeur terwijl ze wanhopig hun best doen om hun familie te bereiken of anderen te helpen. De liefhebber van rampenfilms ziet kennelijk graag beelden die je van zijn leven niet op het journaal hoopt te zien. En dat snap ik dus niet… Zouden die mensen lekker met cola op de bank zijn gaan zitten op 11 september 2001? Of ben ik een beetje overgevoelig?
Ik weet gewoon niet wat ik als kijker moet denken als ik complete gebouwen zie verdwijnen, of mensen voor een vloedgolf uit zie rennen. Kennelijk moet je dan als kijker even uit het verhaal stappen en denken: 'knap gemaakt zeg' of 'haha, daar vliegt een autobus vol mensen door de lucht'. Kortom, rampenfilms zijn een genre waarbij je juist even NIET moet vergeten dat het maar een film is. Of is het de bedoeling dat we ons verlustigen aan plaatjes van de apocalyps? Dat vind ik dan tamelijk luguber…
Regisseur Roland Emmerich is erg goed in dit soort films. Hij maakte ook Independence Day en Godzilla, twee spektakelstukken die misschien niet echt in de rampencategorie horen, maar er zeker veel kenmerken van hebben. En laten we eerlijk zijn: schade aan have en goed kan best leuk zijn. Niet voor niets blaast James Bond aan het eind van vrijwel elke film de basis van de boef op. Daar zijn alle sterfgevalletjes ook netjes verantwoord, want het gaat immers om handlangers van het kwaad die daar brandend vijf etages naar beneden storten. In Jurassic Park, toch ook halve rampenfilms, blijft de schade beperkt tot wat voorlichters, wetenschappers die beter hadden moeten weten, een bos, wat auto's en en paar souvenirwinkels. Daar heb ik dan weer geen enkel probleem mee: het is misschien een beetje kinderachtig, maar als ik op het witte doek mensen zie sterven wil ik graag dat ze dat verdienen, óf dat het voor een goed doel is.
Bij The Day After Tomorrow ligt dat echter anders: hier zijn we allemaal de pineut. Op zijn gunstigst is deze film een waarschuwing voor de mogelijke gevolgen als we doorgaan met het verstoken van olie en het kappen van regenwoud, maar die boodschap ligt er niet bepaald dik bovenop. In feite is het een bijzonder standaard uitgevoerde rampenfilm. We beginnen met een wetenschapper die iets aankondigt, dan zijn er de voorbodes van de ramp, afgewisseld met de introductie van een aantal karakters die we de rest van de film zullen blijven volgen, dan is er de ramp zelf en daarna gaan we kijken hoe de overlevenden uit het puin krabbelen en de laatste hindernissen (bijvoorbeeld een geblokkeerde uitgang van hun schuilplaats) moeten overwinnen, waarna ze op zoek gaan naar hun geliefden, familie en eventuele huisdieren. Als je de film zo bekijkt, en daar neig ik erg naar, stelt het allemaal weinig voor. Ik geloof meteen dat dit de meest realistische verfilming is die er bestaat van een vloedgolf in Manhattan, maar uiteindelijk gaat het daar niet om: The Day After Tomorrow is misschien een soort waarschuwing, maar zal zo ongetwijfeld niet opgevat worden.
Deze film is niet veel meer dan een aaneenschakeling van zinloze sterfgevallen en ander leed. En natuurlijk kan dat als onderdeel van een verhaal spannend, indrukwekkend of meeslepend zijn. Als op zichzelf staand vermaak vind ik het persoonlijk helaas iets te macaber. En dat is mijn probleem met The Day After Tomorrow: het is gewoon té echt. En ik kom hier dus wel voor mijn lol, ja!
Score: 5/10
Martijn Warnas